De verkoopprijs bepalen in je webshop

Verkoopprijs berekenen webshopJe hebt producten ingekocht of zelf gemaakt en wilt deze gaan verkopen via een webshop. Hoe bepaal je nu de verkoopprijs? Hier zijn geen vaste regels voor, maar er zijn wel een aantal zaken waar je rekening mee moet houden bij het bepalen van de verkoopprijs. Daarom geven we je hieronder een aantal richtlijnen die je kunt toepassen op de situatie binnen jouw webshop.

1. Wat is de netto inkoopprijs?

De btw die je betaalt over de producten die je hebt ingekocht krijg je terug van de Belastingdienst. Om de verkoopprijs te bepalen gaan we dan ook uit van nettobedragen, dus exclusief btw. Als je de producten inkoopt is dit heel eenvoudig te bepalen, omdat de betaalde btw wettelijk gezien altijd op de factuur moet staan. In Nederland is dit doorgaans 6% of 21%. Het lage tarief is van toepassing op producten die als eerste levensbehoefte worden beschouwd, zoals eten en drinken (mits alcoholvrij). Ook boeken vallen onder het tarief van 6%. Het hoge tarief van 21% is van toepassing op nagenoeg al het andere. Om terug te rekenen van het brutobedrag (inclusief btw) naar het netto bedrag (exclusief btw) kun je natuurlijk het btw-bedrag van de brutoprijs aftrekken. Waneer je deze niet bij de hand hebt kun je ook de volgende rekensom toepassen:

  • Omrekenen van bruto naar netto bij een tarief van 21%: brutobedrag / 1,21. Dus voor een product van € 12,10 is dat (12,10 / 1,21) = € 10,00.
  • Omrekenen van bruto naar netto bij een tarief van 6%: brutobedrag / 1,06. Dus voor een product van € 12,10 is dat (12,10 / 1,06) = € 11,42.

Heb je je producten zelf gemaakt? Tel om de netto inkoopprijs te bepalen de nettobedragen van alle grondstoffen of ingrediënten bij elkaar op. Daarbij kun je per artikel natuurlijk ook bovenstaande rekensom gebruiken.

2. Andere netto kosten

Natuurlijk wil je niet meteen verlies lijden als je begint met verkopen. Daarom is het van groot belang dat je alle kosten die gemaakt zijn bij de inkoop of productie op een rij zet. Haal je bijvoorbeeld zelf de producten op bij een groothandel? Dan heb je behalve de inkoopprijs ook vervoerskosten die je mee moet nemen in de berekening. Hier kun je denken aan de kosten voor brandstof en slijtage van de auto. Laat je de producten thuis afleveren? Hou dan ook rekening met de verzend- of transportkosten die er nog bij zullen komen. Deze staan meestal apart op de factuur vermeld. Ook hierbij ga je altijd uit van het nettobedrag.

Voorbeeldberekening: je hebt 100 artikelen laten bezorgen van € 10,00 netto per stuk. Voor de levering kwamen er nog € 30,00 aan bezorgkosten bij. Per product heb je dus 30 / 100 = € 0,30 aan vrachtkosten betaald. De totale kosten per ingekocht product zijn dus € 10,30. 

3. Winstmarge

De winstmarge is de netto verkoopprijs minus de netto inkoopprijs. In de praktijk zal niet de gehele winstmarge ook als winst kunnen worden bijgeschreven omdat er vaak nog kosten zijn die je niet had voorzien of die niet per product kunnen worden teruggerekend. Daarom wordt het resultaat van de som verkoopprijs - inkoopprijs ook wel brutowinst genoemd. De winst die overblijft nadat alle andere kosten zijn betaald is de nettowinst. Er zijn geen standaardregels voor het bepalen van de winstmarge, je bepaalt zelf wat voor marge je wil gaan hanteren. Hierbij is het natuurlijk belangrijk dat je in ieder geval kostendekkend te werk gaat en dat je daarnaast ook nog een bedrag overhoudt. Je kunt bijvoorbeeld de regel hanteren dat je uit iedere verkoop in ieder geval twee of drie keer het verkochte artikel weer kunt bestellen. Op deze manier kun je je voorraad geleidelijk laten groeien en bouw je je webshop langzaam maar zeker verder uit.

Kosten om rekening mee te houden bij het bepalen van de winstmarge:

  • Kosten verzendverpakking: kan het product in een envelop of moet het in een doosje? Reken uit wat deze verpakking netto kost en tel het op bij de inkoopprijs.
  • Verzendkosten: als je een vast bedrag voor de verzendkosten in rekening brengt is het verstandig om uit te rekenen of deze dekkend is voor de kosten die je zelf maakt voor zendingen. Reken je bijvoorbeeld € 1,95 verzendkosten en kan de bestelling niet door de brievenbus, dan zijn de extra kosten voor jouw eigen rekening (hoeveel je moet bijbetalen is afhankelijk van hoe je de bestellingen verzendt, kijk op Verzending > Goedkoop pakketten verzenden voor voordelige tarieven). Wanneer je hiervoor kiest kun je de extra verzendkosten bij de inkoopprijs optellen zodat het niet van de winst afgaat. Hou daarbij ook rekening met de situatie dat iemand meerdere producten tegelijk bestelt. Je kunt uiteraard ook de verzendkosten één-op-één doorberekenen aan de klant. Wel blijkt uit onderzoek dat een vast bedrag aan verzendkosten de verkoop stimuleert.
  • Overige vaste kosten: huur je bedrijfs- of opslagruimte, en heb je bedrijfsapparatuur aangeschaft? Moet je ver rijden om de bestellingen weg te brengen? Wat betaal je voor het gebruik van telefoon en internet, en hoeveel ben je kwijt aan de hosting van je webshop? Ook deze kosten moeten natuurlijk worden gedekt door de omzet (totale verkopen). Het is natuurlijk heel lastig om al deze zaken terug te rekenen tot de verkoopprijs van een product. Je zou wel een prognose kunnen maken van je inkomsten: hoeveel producten denk je in een maand te verkopen, en kun je hiermee de kosten die je maakt opvangen? Dit helpt je ook bij het bepalen van de winstmarge die je nodig hebt om je webshop levensvatbaar te maken. Verkoop je minder dan verwacht dan zul je extra maatregelen moeten nemen, zoals het verhogen van de productprijs of het verkleinen van de winst die je vrij houdt voor nieuwe voorraad.

4. Concurrentieanalyse

Het is natuurlijk heel belangrijk om na te gaan welke prijzen je directe concurrenten rekenen voor hetzelfde of een vergelijkbaar product. Kijk dus goed tegen welke prijs en welke voorwaarden de concurrent deze producten aanbiedt. Vergeet hierbij ook niet te kijken naar de verzendkosten en eventuele andere bijkomende kosten. Wil je de producten goedkoper aanbieden dan de concurrenten, dan zul je hoogstwaarschijnlijk moeten inleveren op de winstmarge. Misschien kun je dit opvangen door variabele winstmarges te hanteren: bij het ene product hanteer je dan een kleinere winstmarge dan bij het andere product. Op deze manier compenseert de hogere winstmarge de lagere en kom je uiteindelijk toch nog uit op de marge die je in eerste instantie voor ogen had.

5. Btw

In bovenstaande stappen hebben we de netto verkoopprijs bepaald. Wanneer je producten verkoopt ben je altijd verplicht om btw (omzetbelasting) in rekening te brengen. Dit draag je achteraf af aan de Belastingdienst. Om precies te weten wanneer je welk btw-percentage je moet gebuiken kun je kijken op de website van de Belastingdienst.

De btw tel je op bij de netto verkoopprijs. Stel: je wilt een product voor € 10 netto gaan verkopen. Om de bruto vraagprijs te berekenen neem je 21% over € 10: 10 x 0,21 = € 2,10. De uiteindelijke verkoopprijs is dus € 12,10. Handigheidje: als je de netto verkoopprijs vermenigvuldigt met 1,06 of 1,21 heb je meteen de bruto vraagprijs..

De berekening samengevat.

Bruto verkoopprijs = netto inkoopprijs + kosten + winstmarge + btw.